Free Web Hosting Provider - Web Hosting - E-commerce - High Speed Internet - Free Web Page
Search the Web

uit Sociaal Bestek 12 . 1999: Grotestedenbeleid

  Home Up

 

Hieronder ziet U een artikel uit "Sociaal Bestek" een "Tijdschrift voor werk, inkomen en zorg" uitgegeven door Elsevier en voornamelijk bestemd voor de ambtelijke wereld. Hierin staat, verpakt in ambtelijke taal, de werkelijke reden waarom de gemeente de "klankbordgroepen" in het leven heeft geroepen.

Als er namelijk geen "breed draagvlak onder de bevolking" kan worden aangetoond, dan kan de gemeente fluiten naar de vele miljoenen die haar in het kader van het grotestedenbeleid zijn beloofd.

 

Grotestedenbeleid

Uitdagingen van het grotestedenbeleid
Met Paars 1 is het grotestedenbeleid geïntroduceerd. Het kabinet kende zelfs een staatssecretaris die zich apart met deze portefeuille ging bezighouden. De aanleiding hiervoor was natuurlijk niet dat op dat moment pas de intensiteit van de problemen in de grote steden werd ontdekt, deze was altijd al bekend. De aanpak moest echter vooruitstrevender. Niet de problemen in de schijnwerpers. ook de potentie van de stad en de samenhang tussen problemen verdienden aandacht. Een economische kop op de sociale vernieuwing werd het ook wel eens genoemd. De SER noemde de steden in zijn rapport 'de motoren van de economie'.

Genie Hendriks

De grootste vier steden bundelden zich tot de zogeheten G4, later gevolgd door 15 middelgrote en grote steden die de G 15 vormden. Deze 15 werden later aangevuld met nog eens zes steden zodat hieruit de G21 ontstond. Deze steden hebben aan

het eind van Paars I in een memorandum aan de kabinetsformateur van wat later Paars 11 bleek te worden, laten weten welke aanpak hun voor ogen staat. De G4 en de G21 hebben hierbij overigens elk een eigen memorandum verzorgd.

      Memoranda
De memoranda duiden in belangrijke mate op een wijziging van de verant- woordingslijn die bestaat tussen lokale en rijksoverheid. De kern van de memoranda betreft de vaststelling dat het

Sociaal Bestek 12 . 1999  16

 

 

Grotestedenbeleid  

 

oplossen van complexe stadsproblematiek de verantwoordelijkheid is van Rijk en steden gezamenlijk. De steden vragen van het Rijk meer beleidsruimte en middelen om iets aan de problemen te kunnen doen. Ontkokering, samenwerking met andere partijen en integrale benadering zijn nadrukkelijk uitgangspunten. Concreet wordt voorgesteld dat het Rijk de middelen voor de steden, die nu nog per regeling afzonderlijk zijn ingericht, bundelt op basis van een aantal hoofdthema's: economie, sociaal en fysiek. Hierdoor ontstaan brede geldstromen waaruit de GSB-gemeenten aan de hand van bepaalde objectieve criteria vooraf middelen krijgen toegedeeld. De steden moeten de mogelijkheid krijgen om het geld binnen de drie thema's naar eigen inzicht in te zetten, uiteraard binnen het kader waarvoor het GSB bestaat. Voor de verantwoording sluiten de steden individuele stadsconvenanten met het Rijk waarin de resultaatverplichtingen worden neergelegd. Aan het eind van de convenantsperiode wordt vervolgens gekeken of de stad zijn doelstellingen heeft gehaald. Er ontstaat hiermee een verantwoordingslijn tussen steden en het Rijk op het niveau van uitkomsten van het gehele stedelijke beleid.

Tijdens de kabinetsformatie van Paars II bleek het grotestedenbeleid niet vergeten te zijn. Ondersteund door de memoranda, het eerder genoemde SER-rapport en het positieve oordeel van de Tweede Kamer over de eerste periode GSB onder staatssecretaris Kohnstamm kwam er in het nieuwe kabinet een minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid. Met de aankondiging in het regeerakkoord dat er een extra-comptabele staat bij de rijksbegroting zou worden gemaakt betreffende de uitgaven voor de steden van het GSB en dat de minister voor GSI hiervoor medeverantwoordelijkheid zou krijgen, kreeg de positie van de minister voor GSI daadwerkelijk gestalte. Overigens was het voorstel tot bundeling van geldstromen zoals verwoord in de memoranda slechts ten dele terug te vinden via het voornemen om te komen tot bundeling van middelen in de fysieke sector, het Investeringsbudget Stedelijke

Vernieuwing, en de aankondiging van een fonds voor werk en inkomen.

De minister voor GSI zat niet stil. Hij had zich samen met de steden voorgenomen zo snel mogelijk zogeheten doorstartconvenanten te formuleren. Deze kwamen in december 1998 tot stand na een zeer intensieve voorbereiding. In de doorstartconvenanten werden doel en werkwijze van het GSB vastgelegd.

    Visie-programma-project
Een belangrijke leidraad die Rijk en steden met elkaar afspraken betrof de lijn visie - programma - project. De steden kregen de opdracht een stadsvisie op papier te zetten. Iedere stad formuleerde daarin voor zich een langetermijnperspectief. Gebaseerd op de stadsvisie moest vervolgens door iedere stad een zogeheten meerjarenontwikkelings- programma (MOP) worden opgesteld en op uiterlijk 1 november 1999 bij de minister voor GSI worden ingeleverd. Naar verluidt hebben alle 25 steden deze deadline gehaald. De MOP's geven inzicht in de wijze waarop de steden bepaalde, tevoren met het Rijk afgesproken doelstellingen willen halen. Voor de steden was natuurlijk van belang te komen tot doelstellingen die voldoende beleidsruimte voor het gemeentebestuur laten. Daarom is het kenmerkende aan deze doelstellingen het globale karakter ervan. Men moet immers stadsspecifiek kunnen bepalen langs welke weg men de gestelde doelen wil bereiken. Te gedetailleerd omschreven doelen zouden voor gemeentebesturen leiden tot het welhaast op projectniveau moeten omschrijven van maatregelen hoe deze te bereiken. Hiermee zou dan de zo gewenste beleidsruimte te zeer worden ingeperkt. Een paar voorbeelden van de afgesproken doelstellingen zijn 'verbeteren (fysieke) leefomgeving/leefbaarheid', verbeteren aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt' en 'terugdringen (structurele) werkloosheid en bevorderen arbeidsplaatsen'.

Aan de hand van een met de steden afgesproken toetsingskader toetst het Rijk vervolgens de programma's. Belang-

rijk uitgangspunt hierbij is het streven naar de 'complete stad' De steden moeten inspanningen plegen op sociaal, fysiek en economisch terrein, maar vooral ook aangeven hoe deze inspanningen met elkaar samenhangen. Het streven naar economische vitaliteit veronderstelt bijvoorbeeld aandacht voor de ruimtelijke inrichting, sociaal klimaat en leefbaarheid. De toetsing houdt verder in dat de programma's onder meer bekeken worden op haalbaarheid, draagvlak bij de bevolking, bedrijven en maatschappelijke partners, cofinanciering en uiteraard de opname van de zojuist genoemde afgesproken doelstellingen.

Tijdens de eerste GSB-periode is er uitgebreid onderzoek gedaan naar de situatie in de grote steden. Hieruit bleek onder meer dat kwetsbare wijken en sommige groepen in de samenleving, waaronder etnische minderheden, niet voldoende mee profiteren van de economische vooruitgang. Het GSB bereikt hen nog te weinig. De minister voor GSI wil dan ook dat de steden hiervoor in hun programma's extra aandacht hebben. ._

Uiteindelijk volgt uit de toetsing de conclusie of een stad in aanmerking komt voor een individueel stadsconvenant en als zodanig toekenning van middelen. Halverwege december 1999
zal de toetsing zijn afgerond.

Financiën
Om een meerjarenontwikkelingsprogramma op te kunnen zetten is het voor een stad nodig inzicht te hebben in de te verwachten financiën. Als bijlage bij de extra- comptabele staat (kortweg het overzicht van allerlei financiële stromen van Rijk naar gemeenten) werd daarom een indicatief overzicht gemaakt. Per stad is daarin aangegeven op welke middelen de stad de komende jaren kan rekenen (waarbij de minister voor GSI overigens heeft aangegeven dat de steden geen rechten aan het overzicht kunnen ontlenen. Zijn collega's houden verantwoordelijkheid voor hun eigen regelingen. De minister voor GSI heeft immers ,slechts' medeverantwoordelijkheid gekregen).

17 Sociaal Bestek 12 . 1999 


 

 

Grotestedenbeleid

Rond de financiën hebben de steden overigens meermalen aangegeven dat er binnen de sociale sector geld bij moet. De omvang van de problematiek staat niet in verhouding tot de middelen die ervoor worden ontvangen, terwijl juist vanwege die omvang de beleidsinspanningen in belangrijke mate op het tegengaan van die problematiek gericht zijn.

Een ander belangrijk punt bij de financiële kant van het grotestedenbeleid betreft cofinanciering. Bij de toetsing van de MOP's zal meespelen in hoeverre er tegenover de rijksmiddelen gemeentemiddelen en middelen van derden worden gezet. De steden zullen hiermee dus hun financiële inspanning inzichtelijk moeten maken en gelden van derden moeten genereren. Dit laatste betekent onder meer dat een stad zich wellicht meer dan het geval was moet verstaan met het bedrijfsleven en samen daarmee moet verkennen waar markt en overheid elkaar kunnen versterken. Zeker op het terrein van de sociale infrastructuur lijkt het streven naar financiële deelname door marktpartijen een behoorlijke opgave.

      
Nieuwe filosofie 
Hoewel de problematiek zoals die zich in de GSB- steden voordoet ook zichtbaar is in andere gemeenten, maken omvang en intensiteit ervan dat zij in de steden manifester is. Het is daarom niet verwonderlijk dat het GSB een grote vlucht heeft genomen. Kenmerkend is dat de drijfveer daarvoor mede ligt in de expliciete erkenning van de wederzijdse afhankelijkheid tussen Rijk en steden. In de voorbereiding van de doorstartconvenanten bleek duidelijk dat niet zozeer de eigen positie als uitgangspunt werd genomen, maar men elkaar als partner beschouwde. Het Rijk werd hiermee veel meer dan voorheen ook bij de inhoud van het gemeentelijke beleidsveld betrokken. Niet alleen richtten de steden zich op het Rijk. Van de G21 ontvingen ook de provincies een memorandum met gelijke strekking. 
Een soortgelijk uitgangspunt kent het zogeheten Bestuursakkoord-nieuwestijl (BANS). Dit is het akkoord tussen kabinet, VNG en IPO. 

Het wordt als 'offensief' aangeduid 'omdat het uitgangspunt een gezamenlijke inzet is van Rijk, provincies en gemeenten om door complementair bestuur meer te bereiken voor burgers, bedrijven en instellingen'. De filosofie  van het grotestedenbeleid dubbelt hier voor een groot deel met die van het bestuursakkoord. Toch zijn BANS en GSB niet aan elkaar gelijk te stellen. Dit zit hem dan met name in de mate waarin binnen het GSB gestreefd wordt naar afspraken tussen Rijk en steden op individueel stadsniveau, maar ook in de financiering van het gemeentelijke beleid.


De omvang

van de 

problematiek

staat in geen

verhouding tot

de beschikbare

middelen

 

        Van voornemen naar realiteit
Blijkbaar is de tijd ernaar om elkaar als bestuurspartijen op gezamenlijke verantwoordelijkheden aan te spreken. Het GSB en het BANS zijn hierin vooruitstrevend. Er moet echter met een gezonde dosis realiteitsbesef naar dit 'moment' worden gekeken. De werkwijze die ermee bedoeld wordt (integraliteit, samenwerking (ook met derden» zal niet zomaar tot stand komen. Het is de kunst om na het onder hogedruk toewerken naar een MOP de spanning op de ketel te houden en het beleid ook daadwerkelijk als zodanig vorm te geven. 

Dit zal in veel steden om een cultuuromslag vragen. En niet alleen voor de interne organisatie. Beleid maken met anderen in plaats van over anderen veronderstelt ook herijking van de rol die je als lokale overheid hebt. De traditioneel sturende overheid moet zich waar nodig omvormen tot een regisseur die stuurt indien noodzakelijk, faciliteert, mensen en organisaties bij elkaar brengt en goed oog heeft voor de potenties van en in de samenleving en daar ook gebruik van maakt. Een aardige vraag zou overigens zijn in hoeverre de steden de uitgangspunten van het grotestedenbeleid nu reeds doorvertalen in hun organisatiestructuur of de voornemens daartoe hebben.

Wat voor de steden geldt, geldt (in versterkte mate) ook voor het Rijk. De verkokering is daar nog volop aanwezig. De toetsing van de MOP's zal voor de betrokken departementen de gelegenheid bieden een stap vooruit te doen in de ontkokering. Zij zullen immers de onderdelen van een MOP die betrekking hebben op 'hun' vakgebieden moeten bezien in de context van het hele plan en de neiging weerstaan om af te dalen naar een beoordeling op projectniveau. De minister voor GSI zal hier een coördinerende vinger aan de pols moeten houden. Met hun MOP's hebben de steden in ieder geval een goede eerste stap laten zien op weg naar een nieuwe stijl van bestuur.

Genie Hendriks is coördinator GSB bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Sociaal Bestek 12 . 1999  18