|
Hieronder ziet U een artikel uit "Sociaal Bestek" een
"Tijdschrift voor werk, inkomen en zorg" uitgegeven door Elsevier en
voornamelijk bestemd voor de ambtelijke wereld. Hierin staat, verpakt in
ambtelijke taal, de werkelijke reden waarom de gemeente de
"klankbordgroepen" in het leven heeft geroepen.
Als er namelijk geen "breed draagvlak onder de bevolking" kan
worden aangetoond, dan kan de gemeente fluiten naar de vele miljoenen die haar
in het kader van het grotestedenbeleid zijn beloofd.
|
 |
Grotestedenbeleid |
|
|

|
|
Uitdagingen van het
grotestedenbeleid
|
|
Met Paars 1 is het grotestedenbeleid geïntroduceerd. Het kabinet kende zelfs een staatssecretaris die zich apart
met deze portefeuille ging bezighouden. De aanleiding hiervoor was natuurlijk niet dat op dat moment pas de
intensiteit van de problemen in de grote steden werd ontdekt, deze was altijd al bekend. De aanpak moest echter
vooruitstrevender. Niet de problemen in de schijnwerpers. ook de potentie van de stad en de samenhang tussen
problemen verdienden aandacht. Een economische kop op de sociale vernieuwing werd het ook wel eens
genoemd. De SER noemde de steden in zijn rapport 'de motoren van de economie'.
Genie Hendriks
|
|
De grootste vier steden bundelden zich tot
de zogeheten G4, later gevolgd door 15
middelgrote en grote steden die de G 15
vormden. Deze 15 werden later aangevuld
met nog eens zes steden zodat hieruit de
G21 ontstond. Deze steden hebben aan
|
het eind van Paars I in een memorandum
aan de kabinetsformateur van wat later
Paars 11 bleek te worden, laten weten
welke aanpak hun voor ogen staat. De G4
en de G21 hebben hierbij overigens elk een
eigen memorandum verzorgd.
|
Memoranda
De memoranda duiden in belangrijke mate
op een wijziging van de verant- woordingslijn die bestaat tussen
lokale en rijksoverheid. De kern van de
memoranda betreft de vaststelling dat het
|
| Sociaal
Bestek 12 . 1999 |
 |
16 |
|

| Grotestedenbeleid |
 |
|
|
|
oplossen van complexe stadsproblematiek
de verantwoordelijkheid is van Rijk en
steden gezamenlijk. De steden vragen van
het Rijk meer beleidsruimte en middelen om
iets aan de problemen te kunnen doen.
Ontkokering, samenwerking met andere
partijen en integrale benadering zijn
nadrukkelijk uitgangspunten. Concreet
wordt voorgesteld dat het Rijk de middelen
voor de steden, die nu nog per regeling
afzonderlijk zijn ingericht, bundelt op basis
van een aantal hoofdthema's: economie,
sociaal en fysiek. Hierdoor ontstaan brede
geldstromen waaruit de GSB-gemeenten
aan de hand van bepaalde objectieve criteria
vooraf middelen krijgen toegedeeld. De
steden moeten de mogelijkheid krijgen om
het geld binnen de drie thema's naar eigen
inzicht in te zetten, uiteraard binnen het
kader waarvoor het GSB bestaat. Voor de
verantwoording sluiten de steden
individuele stadsconvenanten met het Rijk
waarin de resultaatverplichtingen worden
neergelegd. Aan het eind van de
convenantsperiode wordt vervolgens
gekeken of de stad zijn doelstellingen heeft
gehaald. Er ontstaat hiermee een
verantwoordingslijn tussen steden en het
Rijk op het niveau van uitkomsten van het
gehele stedelijke beleid.
Tijdens de kabinetsformatie van Paars II
bleek het grotestedenbeleid niet vergeten te
zijn. Ondersteund door de memoranda, het
eerder genoemde SER-rapport en het
positieve oordeel van de Tweede Kamer
over de eerste periode GSB onder
staatssecretaris Kohnstamm kwam er in het
nieuwe kabinet een minister voor Grote
Steden- en Integratiebeleid. Met de
aankondiging in het regeerakkoord dat er
een extra-comptabele staat bij de
rijksbegroting zou worden gemaakt
betreffende de uitgaven voor de steden van
het GSB en dat de minister voor GSI
hiervoor medeverantwoordelijkheid zou
krijgen, kreeg de positie van de minister
voor GSI daadwerkelijk gestalte. Overigens
was het voorstel tot bundeling van
geldstromen zoals verwoord in de
memoranda slechts ten dele terug te vinden
via het voornemen om te komen tot
bundeling van middelen in de fysieke
sector, het Investeringsbudget Stedelijke
|
Vernieuwing, en de aankondiging van
een fonds voor werk en inkomen.
De minister voor GSI zat niet stil. Hij had
zich samen met de steden voorgenomen zo
snel mogelijk zogeheten
doorstartconvenanten te formuleren. Deze
kwamen in december 1998 tot stand na een
zeer intensieve voorbereiding. In de
doorstartconvenanten werden doel en
werkwijze van het GSB vastgelegd.
Visie-programma-project
Een belangrijke leidraad die Rijk en steden
met elkaar afspraken betrof de lijn visie -
programma - project. De steden kregen de
opdracht een stadsvisie op papier te zetten.
Iedere stad formuleerde daarin voor zich
een langetermijnperspectief. Gebaseerd op
de stadsvisie moest vervolgens door iedere
stad een zogeheten meerjarenontwikkelings- programma (MOP)
worden opgesteld en op uiterlijk 1
november 1999 bij de minister voor GSI
worden ingeleverd. Naar verluidt hebben
alle 25 steden deze deadline gehaald. De
MOP's geven inzicht in de wijze waarop de
steden bepaalde, tevoren met het Rijk
afgesproken doelstellingen willen halen.
Voor de steden was natuurlijk van belang te
komen tot doelstellingen die voldoende
beleidsruimte voor het gemeentebestuur
laten. Daarom is het kenmerkende aan deze
doelstellingen het globale karakter ervan.
Men moet immers stadsspecifiek kunnen
bepalen langs welke weg men de gestelde
doelen wil bereiken. Te gedetailleerd
omschreven doelen zouden voor
gemeentebesturen leiden tot het welhaast
op projectniveau moeten omschrijven van
maatregelen hoe deze te bereiken. Hiermee
zou dan de zo gewenste beleidsruimte te
zeer worden ingeperkt. Een paar
voorbeelden van de afgesproken
doelstellingen zijn 'verbeteren (fysieke)
leefomgeving/leefbaarheid', verbeteren
aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt' en 'terugdringen (structurele)
werkloosheid en bevorderen
arbeidsplaatsen'.
Aan de hand van een met de steden
afgesproken toetsingskader toetst het Rijk vervolgens de programma's. Belang-
|
rijk uitgangspunt hierbij is het streven naar de 'complete stad' De steden moeten
inspanningen plegen op sociaal, fysiek en
economisch terrein, maar vooral ook
aangeven hoe deze inspanningen met elkaar
samenhangen. Het streven naar
economische vitaliteit veronderstelt
bijvoorbeeld aandacht voor de ruimtelijke
inrichting, sociaal klimaat en leefbaarheid.
De toetsing houdt verder in dat de
programma's onder meer bekeken worden
op haalbaarheid, draagvlak bij de bevolking,
bedrijven en maatschappelijke partners,
cofinanciering en uiteraard de opname van
de zojuist genoemde afgesproken
doelstellingen.
Tijdens de eerste GSB-periode is er
uitgebreid onderzoek gedaan naar de
situatie in de grote steden. Hieruit bleek
onder meer dat kwetsbare wijken en
sommige groepen in de samenleving,
waaronder etnische minderheden, niet
voldoende mee profiteren van de
economische vooruitgang. Het GSB bereikt
hen nog te weinig. De minister voor GSI
wil dan ook dat de steden hiervoor in hun
programma's extra aandacht hebben. ._
Uiteindelijk volgt uit de toetsing de
conclusie of een stad in aanmerking komt
voor een individueel stadsconvenant en als
zodanig toekenning van middelen.
Halverwege december 1999
zal
de toetsing
zijn afgerond.
Financiën
Om een meerjarenontwikkelingsprogramma
op te kunnen zetten is het voor een stad
nodig inzicht te hebben in de te verwachten
financiën. Als bijlage bij de extra-
comptabele staat (kortweg het overzicht
van allerlei financiële stromen van Rijk naar
gemeenten) werd daarom een indicatief
overzicht gemaakt. Per stad is daarin
aangegeven op welke middelen de stad de
komende jaren kan rekenen (waarbij de
minister voor GSI overigens heeft
aangegeven dat de steden geen rechten aan
het overzicht kunnen ontlenen. Zijn
collega's houden verantwoordelijkheid voor
hun eigen regelingen. De minister voor GSI
heeft immers ,slechts'
medeverantwoordelijkheid gekregen).
|
| 17 |
 |
Sociaal
Bestek 12 . 1999 |
|

|
 |
Grotestedenbeleid |
|
|
Rond de financiën hebben de steden
overigens meermalen aangegeven dat er
binnen de sociale sector geld bij moet. De
omvang van de problematiek staat niet in
verhouding tot de middelen die ervoor
worden ontvangen, terwijl juist vanwege
die omvang de beleidsinspanningen in
belangrijke mate op het tegengaan van die
problematiek gericht zijn.
Een ander belangrijk punt bij de financiële
kant van het grotestedenbeleid betreft
cofinanciering. Bij de toetsing van de
MOP's zal meespelen in hoeverre er
tegenover de rijksmiddelen
gemeentemiddelen en middelen van derden
worden gezet. De steden zullen hiermee
dus hun financiële inspanning inzichtelijk
moeten maken en gelden van derden
moeten genereren. Dit laatste betekent
onder meer dat een stad zich wellicht meer
dan het geval was moet verstaan met het
bedrijfsleven en samen daarmee moet
verkennen waar markt en overheid elkaar
kunnen versterken. Zeker op het terrein
van de sociale infrastructuur lijkt het
streven naar financiële deelname door
marktpartijen een behoorlijke opgave.
Nieuwe filosofie
Hoewel de
problematiek zoals die zich in de GSB-
steden voordoet ook zichtbaar is in andere
gemeenten, maken omvang en intensiteit
ervan dat zij in de steden manifester is. Het
is daarom niet verwonderlijk dat het GSB
een grote vlucht heeft genomen.
Kenmerkend is dat de drijfveer daarvoor
mede ligt in de expliciete erkenning van de
wederzijdse afhankelijkheid tussen Rijk en
steden. In de voorbereiding van de
doorstartconvenanten bleek duidelijk dat niet zozeer de eigen positie als
uitgangspunt werd genomen, maar men
elkaar als partner beschouwde. Het Rijk
werd hiermee veel
meer dan voorheen ook bij de inhoud van
het gemeentelijke beleidsveld betrokken.
Niet alleen richtten de steden zich op het
Rijk. Van de G21 ontvingen ook de
provincies een memorandum met gelijke
strekking.
Een soortgelijk uitgangspunt kent
het zogeheten Bestuursakkoord-nieuwestijl (BANS). Dit is het akkoord tussen kabinet,
VNG en IPO.
|
Het wordt als 'offensief'
aangeduid 'omdat het uitgangspunt een gezamenlijke inzet is van Rijk, provincies
en gemeenten om door complementair
bestuur meer te bereiken voor burgers,
bedrijven en instellingen'. De filosofie van
het grotestedenbeleid dubbelt hier voor
een groot deel met die van het
bestuursakkoord. Toch zijn BANS en
GSB niet aan elkaar gelijk te stellen. Dit
zit hem dan met name in de mate waarin
binnen het GSB gestreefd wordt naar
afspraken tussen Rijk en steden op
individueel stadsniveau, maar ook in de
financiering van het gemeentelijke beleid.
|
De omvang
van de
problematiek
staat in geen
verhouding tot
de beschikbare
middelen
|
Van voornemen naar realiteit
Blijkbaar is de tijd ernaar om elkaar als bestuurspartijen op gezamenlijke
verantwoordelijkheden aan te spreken. Het
GSB en het BANS zijn hierin
vooruitstrevend. Er moet echter met een
gezonde dosis realiteitsbesef naar dit
'moment' worden gekeken. De werkwijze
die ermee bedoeld wordt (integraliteit,
samenwerking (ook met derden» zal niet
zomaar tot stand komen. Het is de kunst
om na het onder hogedruk toewerken naar
een MOP de spanning op de ketel te
houden en het beleid ook daadwerkelijk als
zodanig vorm te geven.
|
Dit zal in veel
steden om een cultuuromslag vragen. En
niet alleen voor de interne organisatie.
Beleid maken met anderen in plaats van over anderen veronderstelt
ook herijking van de rol die je
als lokale overheid hebt. De traditioneel sturende overheid moet zich waar nodig
omvormen tot een regisseur die stuurt
indien noodzakelijk, faciliteert, mensen en
organisaties bij elkaar brengt en goed oog
heeft voor de potenties van en in de
samenleving en daar ook gebruik van maakt.
Een aardige vraag zou overigens zijn in
hoeverre de steden de uitgangspunten van
het grotestedenbeleid nu reeds doorvertalen
in hun organisatiestructuur of de
voornemens daartoe hebben.
Wat voor de steden geldt, geldt (in
versterkte mate) ook voor het Rijk. De
verkokering is daar nog volop aanwezig. De
toetsing van de MOP's zal voor de
betrokken departementen de gelegenheid bieden
een stap vooruit te doen in de ontkokering.
Zij zullen immers de onderdelen van een
MOP die betrekking hebben op 'hun'
vakgebieden moeten bezien in de context
van het hele plan en de neiging weerstaan
om af te dalen naar een beoordeling op
projectniveau. De minister voor GSI zal
hier een coördinerende vinger aan de pols
moeten houden. Met hun MOP's hebben de
steden in ieder geval een goede eerste stap
laten zien op weg naar een nieuwe stijl van
bestuur.
Genie Hendriks
is
coördinator GSB bij
de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten.
|
| Sociaal
Bestek 12 . 1999 |
 |
18 |
|
|