Free Web Hosting Provider - Web Hosting - E-commerce - High Speed Internet - Free Web Page
Search the Web

PvdA: Burgers meer betrokken

  Home Up

 

 

Verslag van de miniconferentie over
"de burgers meer betrokken"
op 22 september 1999 in het Theatercafé.

Opening
De miniconferentie wordt geopend door Roelof Bleker. Roelof legt uit dat de PvdA-fractie deze miniconferentie heeft georganiseerd om meer duidelijkheid en inzicht te krijgen over de invulling van de “Sociale opgave” die deel uitmaakt van de Toekomstvisie van Enschede. Om de discussie zo breed mogelijk te kunnen voeren zijn deskundigen uitgenodigd. Ook zijn alle partijleden uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan de discussie.
Vragen die o.a. aan de orde zijn:

Wat is de huidige stand van zaken?
Wat te doen met de huidige stand van zaken?
Wat gebeurt er in de praktijk?
Wat doen we goed en wat doen we niet goed?

Arja ten Thije is voorzitter van deze avond. Zij legt het doel en de opzet van deze avond uit. In haar inleiding zegt zij dat nu al beweerd wordt dat de in te vullen toekomstvisies nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. De toekomstvisies vormen de basis voor het Grote Stedenbeleid. Dat de visies niet sterk verschillen is niet zo verbazingwekkend. Het zou eerder vreemd zijn wanneer gemeenten in een dichtbevolkt land als Nederland totaal verschillende visies zouden presenteren. Voor elke gemeente is het wel de vraag waar de accenten komen te liggen. En welke keuzes moeten we als PvdA maken? Verder verwijst zij naar de tweede stelling van Adri Duivensteijn die op 21 september tijdens de miniconferentie “wonen en werken” werd geponeerd. Deze luidt:
“Werk de verbetering van zgn. herstructureringswijken uit in primair overleg met de zittende bewoners. Verdring de lagere inkomensgroepen niet naar andere (slechtere) wijken. Neem hen als uitgangspunt; kijk voorbij het ‘inkomensplaatje; en waardeer hen naar hun potenties, hun energie, hun verscheidenheid, de dynamiek die er in hun leven kan zitten. Benut de rijke bron van multiculturaliteit: dan hoeft er niet kunstmatige diversiteit te worden ‘gemaakt’, maar kunnen reeds bestaande bronnen van diversiteit worden geactiveerd.”
Met deze stelling is een brug geslagen tussen de miniconferentie van vandaag en gisteren.
Door het bestuur zijn reeds verschillende z.g.h. “ rondetafelgesprekken” gevoerd en er is een korte gezamenlijke vergadering van de raadscommissies Zorg Maatschappeliijke Zaken, Welzijn en Werk en Economie geweest. In de ronde tafelgesprekken zijn het rapport ‘jeugdparticipatie’ van Mischa de Winter besproken en is gesproken met deskundigen uit het ‘zorgveld’ over een zorgvangnet.
Daarnaast is gesproken over de brede school.
Vanavond staat ter discussie de wijze waarop betrokkenheid en participatie van burgers vorm krijgt en welke taak de lokale overheid daarin heeft.

Inleiding Gerard Bakker
Gerard Bakker is voorzitter van voetbalvereniging De Tubanters. Het uitgangspunt van de vereniging is participatie en het bevorderen hiervan. Hierbij is het belangrijk om elkaar te leren kennen, te communiceren en te leren van elkaar. Sociale cohesie staat voorop, waardoor onderlinge binding ontstaat. Het zorgt ervoor dat stadsdelen leefbaar blijven of leefbaarder worden. Tubanters heeft 48 teams en is daarmee de grootste voetbalvereniging in Enschede. Haar leden komen voornamelijk uit de wijken Sroinkslanden, Wesselerbrink, Pathmos, Hogeland en Boswinkel en vormen een dwarsdoorsnede van de bevolking. 
Het doel van de club is sportief en sociaal haar partij meeblazen. Sportief gezien speelt de A-jeugd in de landelijke hoofdklasse (en dat is heel erg hoog!). Vanuit het sociale (en sportieve) aspect wordt er gehandicaptenvoetbal georganiseerd, alsook het opvangen en begeleiden van allochtone kinderen en jongeren. Gebrek aan geld is geen reden voor de club om het lidmaatschap te beëindigen, er wordt dan gezocht naar een andere oplossing. 
Binding aan de club geschiedt door sport en sociale activiteiten, waarbij kwaliteit en vrijwilligerskader een heel belangrijke rol spelen. Bijvoorbeeld:

Half jaarlijks uitstapje van de 70+ dames;
Vrouwengymnastiek;
Zwemmen e.d.;
Zogeheten smokkeltochten;
Weekendkampen. De juniorenteams gaan 1 x per jaar verplicht op reis;
Buitenlandse toernooien.

De vereniging heeft tussen de 150 en 200 kaderleden. Samenwerking tussen leden en vrijwilligers is één van de pijlers van de club. Nieuwe vrijwilligers worden o.a. geworven via de intakelijst bij aanmelding van nieuwe leden.
Ten aanzien van het gehandicaptenvoetbal zoekt men buiten de vereniging naar specialisten voor een adequate begeleiding. Ook voor allochtonen is extra energie, begrip en geld nodig.
Eenmaal per jaar is er een speciale dag voor kaderleden en vrijwilligers. De club heeft 40 trainers in dienst en sinds kort een bewegingstrainer. Behoudens Quick ’20 heeft geen vereniging in de regio deze specialist in dienst.
De club wil de sociale cohesie verder bevorderen. Zij vindt ook dat zij hier nadrukkelijker mee bezig is dan het sociaal culturele werk. De sportverengingen worden niet of nauwelijks gesubsidieerd, terwijl dit bij het sociale cultureel werk wel gebeurt. Sport is het cement van de samenleving waar de overheid haar ogen niet voor mag sluiten.

Reacties:

De gemeente heeft potjes ter beschikking voor begeleiding vrijwilligers.
De contributie bedraagt 25% van de inkomsten. Leden zijn actief betrokken om o.a. via sponsoring en acties het benodigde geld binnen te krijgen voor activiteiten.
Tijdens het ronde tafelgesprek is de sportnota ter sprake gekomen. Toen wezen sportverenigingen de samenwerking met het sociaal cultureel werk af. De Tubanters wijst de contacten met het sociaal cultureel werk niet af en nodigt dat dan ook uit om met haar professionele inzet samen te werken met en voor de sportvereniging.
De lokale overheid investeert te weinig. Door te weinig middelen kunnen gestelde doelen niet altijd gerealiseerd worden. De Tubanters zouden graag zien dat de gemeente, al was het maar in vorm van adhesiebetuigen, meer meedenkt met de sportclub. Gerard Bakker doelt daarbij op de NOC/NSF-subsidie voor het aanstellen van een clubmanager.
De sportnota bevat goed beleid en wordt breed gedragen. De angst heerst dat het vaag blijft en er weinig in concreto wordt uitgevoerd. Faciliteren is heel belangrijk voor clubs. Ook al vindt er een inhaalslag plaats, het blijft een gegeven dat steeds meer kader professioneel te werk gaat. Dus de vraag blijft of met deze inhaalslag de knelpunten al dan niet gedeeltelijk worden opgelost.
De opvoeding blijft en is een zaak van de ouders. De vereniging heeft eigen leefregels die strikt nageleefd moeten worden. Bij overtreding vindt contact met ouders plaats over te nemen sancties. Voor recidivisten komt het lidmaatschap vroegtijdig tot een einde.
In Stadsveld zijn veel sportvoorzieningen verdwenen of wegbezuinigd. Gerard Bakker vindt dat dit meer een probleem is van het sociaal culture werk. Hij vult aan dat de leden het geen enkel probleem vinden enige kilometers te moeten reizen voor de club, oftewel de leden zijn niet plaatsgebonden.

Inleiding Sylvia Schuite.
Zij is sociaal cultureel medewerker bij het buurtcentrum Het Kompas. Onlangs is voor de tweede keer de campagne ‘Ken je buur’ gehouden. De reden hiervoor is als volgt (citaat uit “die man met het het hondje heet nu ome kees”):

“Een buurt die weer leeft.
Deppenbroek in Enschede. Een wijk waar er waarschijnlijk honderden van zijn in Nederland. Verschillende culturen en bevolkingsgroepen. De leefbaarheid laat te wensen over. Er is weinig contact tussen de bewoners. Althans, zo was de situatie begin 1995.
In een deel van de wijk is het inmiddels anders. De mensen kennen elkaar, groeten elkaar. De woonomgeving is zichtbaar opgeknapt. De buurt leeft. Dit alles dankzij de campagne Ken je buur. Drie maanden lang is de buurt enthousiast in touw geweest om de leefbaarheid te verbeteren. Samen zijn de bewoners uitdagingen aangegaan die varieerden van het ‘inpakken’ van blokcontainers tot het organiseren van een interculturele hapjesmiddag. Van het plaatsen van zandbakken tot het verbeteren van de groenvoorzieningen.
Opvallendste kenmerk van Ken je buur: het zijn de bewoners zelf die invulling hebben gegeven aan de campagne. Zij hebben bepaald wat er moest gebeuren. En het gebeurde dus ook.”

Tot zover het citaat. 
Opdracht en doel zijn om de sociale cohesie en de participatie te bevorderen. Er is doelbewust gekozen voor de campagnemethode, om de mensen er heel intensief bij te betrekken. In een wijk als Deppenbroek waar het merendeel van de woningen uit flats bestaat en een groot verloop kent waardoor men nauwelijks tijd krijgt om elkaar te leren kennen. Verder overheerst een gevoel van onveiligheid (men kent elkaar immers niet) en vertonen de mensen een onverschillig gedrag. Hierop was een krachtig antwoord nodig in de vorm van de campagne Ken je buur. Men wilde een doorbraak bereiken, mensen uit hun huisjes krijgen en laten participeren door samenwerking. Ook wilde men zoveel mogelijk inspelen op de aanwezige individuele kwaliteiten. Om dit mogelijk te maken is niet alleen het scheppen van randvoorwaarden een pré, maar ook de inventarisatie van de wijk in (sociale) kaart brengen. Verder was (en is) de medewerking van de aanwezige instellingen belangrijk. 
Deze instellingen zijn:

Wijkbureau Noord, ze kennen de buurt en de mensen;
Stadsbeheer, bijvoorbeeld het organiseren van activiteiten rond de groenvoorziening. Hun inbreng is onontbeerlijk;
Maatschappelijk werk, ze zijn op de hoogte van de aanwezige problemen en de verdieping daarvan;
De woningbouwverenigingen en
De afdeling sociale dienst van de DMO. Door deze campagnes zijn mensen aan het werk geholpen.

Door contacten als deze kunnen de mensen weer een gevoel van eigenwaarde krijgen. Dat zij er weer bij horen. En dat het ook hun buurt betreft.
Het mooiste voorbeeld is de Zeskamp, waaraan kopstukken uit de wijk hebben meegedaan. Solidariteit wordt hierdoor sterk in de hand gewerkt.
Door deze activiteiten creëer je een bewonerskader en veel meer participatie.
Voor het organiseren van deze campagnes is een goede p.r. absoluut noodzakelijk. Radio Oost, Radio Enschede, TC Tubantia en Huis en Huis hebben meer dan voldoende aandacht besteed aan deze campagne. Hierdoor geef je de mensen het gevoel dat zij weer op de kaart van Enschede staan.
Op 12 juni j.l. is de tweede campagne Ken je Buur afgesloten. Door er bovenop te blijven zitten zijn meerdere commissies gevormd, zoals een bewonerscommissie, een commissie groenvoorziening en een commissie spelvoorziening. Tot op heden is een klein gebied van de wijk bereikt; dit moet verder uitgebreid worden naar de rest van de wijk. 

Reacties:

De basis is gelegd, maar toch moet de vinger aan de pols worden gehouden. Ook is een kader gevormd met ondersteuning van andere instellingen. 
De burgers willen wel, maar de vraag is of het lukt op de lange termijn. De kans bestaat dat de betrokkenheid inzakt. Daarom is er een 4-jarenplan opgezet, genaamd ‘Gele Tornado’, om de participatie gestalte te blijven geven. Ook hierbij worden wijkgerichte instellingen betrokken. De OPS zal ook een positieve wending geven aan leefbaarheid en participatie.
Welke programma’s wil men verder op poten zetten? Er staat een pilotproject op punt van beginnen over ‘handhaving en toezicht’. Zorgen voor ketenverantwoordelijkheid en zoeken naar samenhang.
De betrokkenheid van ouders, kinderen en school is als basis uiterst belangrijk. Ook bij een activiteit als ‘speelschouw’ zijn niet alleen scholen betrokken, maar ook stadsbeheer en woningbouwverenigingen. Winst is dat contacten gelegd zijn met scholen, waardoor de onderlinge lijnen korter zijn geworden.

Paneldiscussie
Voor dit deel van het programma is uitgenodigd de buurtkerngroep De Laares. Deze buurtkerngroep is nauw betrokken bij de ontwikkelingen binnen de wijk. Zij ontvingen in 1998 de Jan Schaeferprijs vanwege de inzet voor de ombouw van het schoolplein tot multifunctionele speelplaats voor zowel school als wijk. Momenteel is er een stadsvernieuwingsplan voor de Laares. De afvaardiging van de buurtkerngroep meldt dat ondanks de voorlichtingsbijeenkomsten de onrust onder de bevolking over het plan verder is toegenomen, hierdoor komt ook de cohesie onder druk te staan. Twee jaar geleden is een leefbaarheidsplan opgesteld dat de instemming van de wijk had. Daarin zat een duidelijke koppeling tussen sociale vernieuwing en stadsvernieuwing. De sociale vernieuwing is echter bijna afgerond en pas nu start de stadvernieuwing. Nu is, volgens de buurtkerngroep, een stadvernieuwingsplan opgesteld dat de bewoners achteraf rauw op hun dak gevallen is. Men had eerst niet in de gaten dat dit plan hen direct zou raken. Het loslaten van de koppeling uit het leefbaarheidsplan wordt als oorzaak gezien voor de gelatenheid in de wijk. Volgens de buurtkerngroep zal de leegloop groot zijn en dat zal duidelijke gevolgen zal hebben voor het vrijwilligerskader.

Reactie Eric Helder:
Onlangs is hij met Dick Buursink naar De Laares geweest. Het gemeentebestuur hecht er waarde aan om succesvolle activiteiten door te laten gaan. Herstructurering mag nooit leegloop tot gevolg hebben. Ook streeft de gemeente naar het versterken van de werk- en kleine wijkeconomiefunctie. De Laares is een voorrangswijk, waar een buurtvisie z.s.m. gestalte moet krijgen.

Omdat de cohesie onder druk staat is de buurtkerngroep van mening dat het aantal sociale activiteiten zal teruglopen door leegloop waardoor er geld over zal blijven door leegloop. Op dit moment zijn 65% van de woningen huurwoningen. Uitgangspunt van het stadsvernieuwingsplan zou zijn dat dit 30% zal moeten worden. Daarbij is het nog maar de vraag welk deel van de huurwoningen ook sociale huurwoningen zijn. Gesteld wordt dat het de helft is, kan uiteindelijk maar 15 % van de mensen terug naar hun wijk. Een eventuele oplossing kan gevonden door de percentages huur en koop te wijzigen. Vooralsnog is het onbekend hoeveel huurwoningen er gaan komen. Dient ditzelfde probleem zich aan wanneer andere achterstandswijken geherstructureerd gaan worden? De buurtkerngroep is van mening dat de boodschap van het gemeentebestuur niet duidelijk genoeg is geweest. Wanneer het stadsvernieuwingsplan weer gekoppeld gaat worden aan het leefbaarheidsplan, dan ziet zij een basis om de onrust in te dammen want op zich is men niet tegen de stadsvernieuwing. De plannen zouden echter samen in overleg meer met de bewoners moeten worden opgesteld, ook vanuit de wensen van de huidige bewoners.

Het stadsvernieuwingsplan ligt nog niet vast. Het ligt nu voor de hand dat er binnen de wijk voldoende draagvlak moet zijn voor realisering van het plan. Vraag is: hoe moet de discussie gevoerd worden met de bewoners? Je zult ze in alle gevallen serieus nemen en uitgaan van de huidige bewoners. Ook de randvoorwaarden moeten helder zijn. Roelof Bleker zegt toe met de fractie hierover het gesprek aan te gaan. Het uitgangspunt moet zijn om de huidige bewoners na de stadsvernieuwing zoveel mogelijk terug te laten keren. De huidige onzekerheid knaagt aan de bewoners.
Op dit moment ontbreekt voldoende buurtvisie. Het vertrouwen tussen gemeente en bewoners moet worden hersteld. De bewoners hebben nog te veel het gevoel dat het niet over hen gaat. De fractie zal hier spoedig over praten.

Stellingen 
Stelling 1
“Sociale contacten, cohesie en integratie zijn net zo belangrijk voor het goed functioneren van en de leefbaarheid in wijken en buurten als een goed onderhouden fysieke leefomgeving. Het wordt daarom hoog tijd dat veel meer aandacht en middelen worden vrijgemaakt voor bewonersondersteuning in wijken. Daartoe mag de gemeente op jaarbasis zeker ƒ 500.000,-- extra inzetten.”

Bij deze stelling moet de nadruk worden gelegd op de sociale infrastructuur.
Stelling 2

“Extra gelden voor de komende jaren moeten worden besteed om lopende experimenten en projecten structureel te maken en niet om telkens nieuwe experimenten te starten.”
Reacties bij deze stelling zijn: door de invoering van de flexwet is er sprake van projectfinanciering. Structurering moet mogelijk zijn, maar de flexwet legt hieraan ‘beperkingen’ op. Ook moet gekeken worden naar de effectiviteit van de projecten, die moeten bij succes, structureel worden gemaakt.
 
Stelling 3
“Grootschalige herstructurering van wijken is een aanslag op de sociale samenhang in buurt en wijk.”
Bij deze stelling wordt benadrukt dat dit gebeuren moet in samenspraak met de wijken en dat hiervoor randvoorwaarden moeten worden vastgesteld.
Stelling 4
“Met stadsdeelgewijs werken is bewonersparticipatie in buurten en wijken gewaarborgd.”
Hierbij zijn de reacties: welke invulling geven we hieraan? Hoe gaan we dit faciliteren? Er moet sprake zijn van een goed georganiseerd proces.
Stelling 5
“Het sociale proces is een proces dat per definitie de inbreng van burgers vereist. Sociaal beleid kan dus nooit een puur professionele aangelegenheid zijn. Beleidsmakers en bestuurders zijn zich te weinig bewust van het belang van inbreng van burgers.”
Bij deze stelling wordt benadrukt dat voor verwezenlijking voldoende inzet nodig is.



1999 Han Jansen

Copyright © 04-01-2000 Partij van de Arbeid-Enschede