|
Inleiding
De wijkgedachte is in Nederland onder beleidsmakers
in
korte tijd weer razend populair geworden. De verwachtingen ten aanzien van deze
gebiedsgerichte benadering zijn huizenhoog. Zo moet de wijkaanpak er onder meer
voor zorgen dat buurten en wijken gemengd en gedifferentieerd worden.
Een hoogleraar samenlevingsopbouw die de wijkaanpak van de nodige kritische
kanttekeningen voorziet is geen alledaags fenomeen.
Wie zich bekommert om achterstandsbestrijding in een multiculturele samenleving,
die moet voortaan iedere keer dat een 'integrale wijkaanpak voor problemen'
wordt gepropageerd even de wenkbrauwen fronsen. De wijkaanpak dreigt namelijk
gemythologiseerd te worden. Er zijn minimaal zeven mythen te onderscheiden.
I. De mythe van 'de' wijkaanpak
Politiek Nederland lijkt werkelijk aandacht te krijgen voor de onderkant, de
arme kant van de samenleving. Vanuit talrijke ministeries worden er programma's
opgetuigd om aan die 'problematische wijken' iets te doen en om gemeentebesturen
te helpen bij het aanpakken van de problemen.
Er blijken talloze vormen van wijkaanpak te bestaan.
Burgers van de stad kunnen als bewoners van hun wijk meepraten, bij voorbeeld
over het aanpakken van problemen die de leefbaarheid bedreigen, over
herstructurering van de wijk of over het versterken van de onderlinge
verbondenheid.
Beleidsmakers die over een wijkaanpak reppen, hebben het over uiteenlopende
'wijken'. Bij sommigen gaat het over een paar straten, of over een plein, of
zelfs een enkele portiek. 'De' wij kaanpak bestaat niet, laat staan dat
er eensgezindheid zou bestaan over de rol van de wijk in die aanpak.
Waarom wordt er voor een wijkaanpak gekozen? En niet voor een individuele of een
groepsaanpak?
Dat brengt ons bij mythe nummer twee.
II.
De mythe van de maakbare wijk
Ernstiger is dat beleidsmakers soms lijken te denken dat daar waar problemen in
de wijk bij elkaar komen, dat daar ook de oplossingen te vinden zouden zijn.
Waar werkloosheid, armoede, eenzaamheid lage opleiding en hoge percentages
uitkeringsgerechtigden zich concentreren, daar zouden de politiek, het
opbouwwerk, de corporatie en vele andere instanties aanwezig moeten zijn en
moeten ingrijpen.
Voor de duidelijkheid: dat moet ook, maar de vraag is met welke verwachtingen
dat gebeurt en welke resultaten men denkt te kunnen boeken.
Een gebiedsgerichte aanpak kan zelfs een blikvernauwend effect hebben.
Want wat is de verhouding tussen plek en probleem? Waarom stapelen problemen
zich in bepaalde wijken op? Waarom wonen mensen met veel problemen in bepaalde
wijken bij elkaar? De wijkaanpak lijkt soms te suggereren dat de problemen
veroorzaakt worden door de plek waar mensen wonen. De wijkaanpak lijkt dan te
steunen op de foutieve redenering dat aangezien de wijk 'problematisch' is, de
wijk ook de oorzaak van de problemen van haar bewoners zou zijn en dat daarom
ook de oplossing in de wijk te vinden zou zijn. Was het maar waar.
Migranten zijn niet werkloos omdat ze in bepaalde buurten wonen, maar wonen in
die buurten omdat ze werkloos zijn. Men is werkloos omdat men een lage opleiding
heeft terwijl er niet voldoende laaggeschoold werk is, of omdat de arbeidsmarkt
racistisch is, of omdat men slecht Nederlands spreekt, of omdat men geen netwerk
heeft dat kan voorzien in een baantje, etcetera. Woont men in een andere buurt,
in een zogenaamde betere buurt, dan blijft men gewoon werkloos want bovenstaande
oorzaken worden daardoor niet weggenomen.
III.
De mythe van de gedifferentieerde wijk
Het beleid is tegen homogene inkomenswijken, tegen buurten gedomineerd door
één woningtype. Het uitgangspunt is dat achterstanden het beste kunnen worden
bestreden in gemengde wijken.
Uit onderzoeksresultaten blijkt dat menging van groepen - helaas - niet leidt
tot veel onderlinge banden.
Ook al omdat het wonen in een wijk weinig zegt over waar de kinderen naar school
gaan (vaak buiten de wijk), waar de boodschappen worden gedaan (vaak niet in het
buurtwinkelcentrum) en evenmin betekent dat de sport in de wijk ook met
buurtbewoners wordt beoefend.
Maar in de gehele stad blijft de werkloosheid even hoog en de inkomens gemiddeld
even laag.
Het helpt de betreffende mensen weinig tot niet.
IV. De mythe van de gevaarlijke groep
Het beleid gaat de wijk
in. Dat brengt me bij de kern van wat ik wil betogen: de wijkaanpak gaat
gepaard met zeer uitgesproken ideeën over de multiculturele
samenleving.
Men is tegen welke concentratie van minderheden dan ook, want
concentraties zijn per definitie een probleem. Misschien is dit wel een van de onderliggende redenen waarom
de wijkaanpak zo populair is.
Groepsvorming kan op deze manier worden tegengegaan zonder het over groepen te
hebben.
Gelukkig lijkt staatssecretaris Remkes enige afstand te nemen van het
denken in termen van menging en
gemiddelden, zoals bepleit door zijn voorganger.
Remkes stelt zelfs onomwonden dat 'vrijwillige homogeniteit' geen
probleem is. Daarmee slaat hij twee vliegen in een klap. Hij erkent de waarde van groepen én hij hoeft geen
gemiddelde wijken meer na te streven. Hij kan kiezen voor maatwerk per wijk, afhankelijk van de
precieze problemen in de wijk en uitgaande van de zittende bevolking.
V. De mythe van de authentieke wijkbewoner
Het is niet alleen vanwege de 'gevaarlijke groep' dat de wijkaanpak zo
lijkt aan te slaan.
Sommige politici omarmen 'wijkbewoners' met zoveel nadruk als de
nieuwste knuffeldieren, dat het te denken geeft.
Wijkbewoners zijn herontdekt door de politiek, waarschijnlijk mede uit
schuldgevoel over de jarenlange verwaarlozing van hun sociale problematiek in de gure jaren tachtig en
in reactie op de stijging van de stemmenpercentages van extreem-rechts in onder meer deze buurten. Deze
herontdekking betreft echter soms nogal nadrukkelijk de authentieke (lees: autochtone) laaggeschoolde
buurtbewoner.
VI. De mythe van de beterwetende politicus
De vele mooie woorden over 'coproductie van beleid' dreigden tot
voor kort dode letters te blijven als het aankwam op de grote beslissingen bij de stedelijke
vernieuwingsoperatie.
Verrassend veel gemeenten moesten worden herinnerd aan de les van de
stadsvernieuwing dat de direct betrokkenen mee moeten kunnen praten. Ik wil geen karikatuur maken van
de stedelijke vernieuwing, want veel initiatieven zijn nodig en worden ook zorgvuldig uitgevoerd.
Maar het bestwil-denken, het zeker weten wat goed is voor anderen, was bij de aanvang van de
herstructurering plotseling weer opmerkelijk sterk.
Maar in deze mythe komt de klad. Want al mogen bewoners dan niet altijd
meebeslissen, de politiek probeert wel meer en meer oprecht te luisteren. Ze heeft minimaal de
intentie om aan te sluiten bij de problemen zoals bewoners die ter plaatse beleven.
Deze erkenning van het belang van de directe leefomgeving, staat haaks
op verhalen waarin moderne stedelingen worden afgeschilderd als wereldburgers die geen vaste
verblijfplaats meer zouden hebben.
Daarover gaat tot slot de laatste mythe.
VIl. De mythe van de allesbepalende afstand
Ook al is de wereld van sommige wijkbewoners door internet,
schotelantennes etcetera heel groot geworden, toch blijft de directe leefomgeving van groot belang.
Natuurlijk betekent dit nog niet dat buurtbewoners daarom weer warme
gemeenschapsgevoelens gaan koesteren.
Enerzijds is enige anonimiteit plezierig voor zowel de welgestelden als
diegenen die geen behoefte hebben aan pottenkijkers bij activiteiten die niet door de beugel
kunnen.
Anderzijds bestaat er juist in wijken met veel problemen de behoefte aan
versterking van de onderlinge contacten, omdat andere schakels naar de samenleving zijn afgebroken.
Het maximaal benutten van de mogelijkheden van de bewoners en hun
omgeving is een noodzakelijke maar, zo heb ik willen betogen, geen voldoende bijdrage aan de problemen
waar deze mensen voor staan.
Jan Willem Duyvendak:
Duyvendak is buitengewoon hoogleraar opbouwwerk aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Daarnaast is hij directeur van
het Jonker-Verwey Instituut te Utrecht en het Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling in Utrecht.
|